woensdag 17 juni 2026

IJswagens – South West Coast Path (83)

Fife Coastal Path, 9 september 2004.

Je vindt ze door het hele Verenigd Koninkrijk, maar voornamelijk aan de kust: ijswagens. In het Engels ice cream vans genoemd. Ze staan er op de boulevards en bij de stranden, maar vooral ook óp het strand, meestal is dat dan een mooi vlak strand van hard zand. In Katwijk noemen ze dat 't harde strand. In tegenstelling tot het zachte strand met het mulle zand, meer tegen de duinrand aan. Ze hebben een typerende vorm, die Engelse ijswagens, wat je aan de jaren vijftig doet denken en nostalgische gevoelens oproept – het ijs smaakt er lekkerder door. De kleur waarin de wagens geschilderd zijn doet je aan vanille-ijs denken,* met daarop dan in van die sierlijke Coca-Cola-letters wat ze te bieden hebben. En ze hebben schuiframen, wat natuurlijk handig is bij een straffe wind. Ze zien er allemaal zo'n beetje hetzelfde uit. Misschien omdat ze bijna allemaal uit dezelfde fabriek komen, die van Whitby Morrison in Cheshire. Wat mooi is, is dat de Engelsen, net als bij de bus en andere plekken waar dat gebruikelijk is, ook bij ijswagens keurig in de rij staan. Dat levert mooie plaatjes op op een bijna leeg strand. En is wel even wat anders dan wat er op zomerse dagen gebeurt bij de kraampjes op de boulevard van Katwijk, waar de ijsliefhebbers zich zowat allemaal tegelijk lijken te verdringen onder de luifel.

Instow, 27 juni 2024.

Maar, we hebben dat al eerder gezien, het South West Coast Path is niet zonder risico. Dat geldt ook voor de ijsverkopers. Toen we aan de westkust liepen hebben we het net niet meegemaakt maar hoorden het wel toen we er net langs waren gelopen dezelfde dag, dat er een ijswagen met ijsverkoper en al door de opkomende vloed bijna in de golven verdwenen was. Ze konden nog net gered worden.** Stond de ijsverkoper op zo'n verlaten stuk strand dat hij of zij door de weinige klandizie in slaap gevallen was, met dat mooie weer?

Toen we erlangs kwamen viel die ijswagen ons niet eens speciaal op. Het was een aardig attribuut zo in de hoek van de foto van het strand, maar meer ook niet. Maar later, toen we 'm in dat filmpje zagen, dachten we: verrek, die hebben we gezien. 

Maar later, toen we 'm in dat filmpje zagen, dachten we: verrek, die hebben we gezien.

* Er zijn er ook in andere kleuren.
** Door de mensen van de RNLI, de Royal National Lifeboat Institution. Het was op 8 juli 2024 op Harlyn Bay Beach in Cornwall.

vrijdag 12 juni 2026

Dit moet dat veldje geweest zijn – de Cotswolds (11)

Ergens onderweg op 8 september 2019, de dag dat we van Winchcombe naar Broadway lopen.

Dit moet dat veldje geweest zijn waar Shirley zingend doorheen liep. Als ik haar erover mail, over het zingen van de Cow-song, herinnert ze zich het nog goed: 'I so remember that time when we crossed the cow pasture. I was familiar with cows growing up as we did in the State of Wyoming. I just made up the little song to calm us – cows and humans. It worked and we continued on our trek.'

zaterdag 6 juni 2026

Muze in het museum – 'Liggend naakt' van Isaac Israels

Isaac Israels, Liggend naakt (Sjaantje van Ingen), circa 1894-1900, olieverf op doek, 40 x 65 cm.

In 2009 werd het door het tijdschrift Oog van het Rijksmuseum uitgeroepen tot mooiste naakt uit de Nederlandse schilderkunst. Nu hangt het in het Katwijks Museum: Liggend naakt (Sjaantje van Ingen) van Isaac Israels. Adri van Beelen schreef er een boek over – Sjaantje. De muze van Isaac Israels – en André Groeneveld ontdekte het, bij toeval, boven een bed in een slaapkamer in Amsterdam. 

Te zien van 7 juni tot 4 oktober 2026, de expositie De muze van...

maandag 1 juni 2026

Hier konden we niet langs – South West Coast Path (82)

De dag nadat we op The Undercliff geweest zijn, voorbij Lyme Regis, is het dat we bij dat hek aankomen, verstopt in een hoek met bosjes en bomen, we zien het eerst niet – onze ogen moeten wennen aan het licht, omdat we door een zonnig veld zijn komen aanlopen, huppelend bijna, zou je kunnen zeggen, over een karrenspoor, met tussen het hoge gras overal bloemen, in alle kleuren –, maar daar staan ze, in de schaduw, runderen met hun jonkies, koeien en kalveren, je wordt er overal voor gewaarschuwd op handgeschreven bordjes, en misschien ook nog wel een stier, in een grote groep, altijd in de hoek van een veld, bij een hek dat je moet passeren, met meteen daarachter ook nog eens een laag koeienstront met een diameter van ongeveer drie meter, de breedte van het hek en dan nog wat breder, zo'n twaalf meter in omtrek, waar je doorheen moet.


Je duwt ze niet zomaar opzij, die beesten, en we zijn er bang voor, na die keer in de Cotswolds, de eerste dag dat we daar liepen, toen er bij iedere doorgang van een veld, één enkel veld, het eerste waar we doorheen kwamen, en hoeveel zouden er nog volgen, zo'n groep stond, alsof ze het expres deden, en we om van dat veld af te komen in allerijl over het prikkeldraad geklommen zijn, om langs dat prikkeldraad om het veld te lopen, maar vast kwamen te zitten in een bos met doornig struikgewas. Waardoor we weer terug moesten over dat prikkeldraad en door dat veld met die stieren. We herinneren het ons allemaal nog goed. En ook deze keer durven we er niet langs. 

Maar dan is er een vrouw met een hond, zij liep ons al achterop in dat zonnige veld, met al die bloemen, en moet ook die kant op, door dat hek. Zij lijkt ons te komen helpen, [ze komt als geroepen, als een geschenk uit de hemel,] zoekt een stok en begint te schreeuwen, tegen die runderen, allerlei klanken, als van een rodeo, en met de stok geeft ze hier en daar een tik, op hun achterlijven, en begint de langzame groep van dieren een beetje te bewegen, maar ook weer niet echt, en dan loopt ze er zo tussendoor, met haar hond. Zomaar. Tussen die logge lijven. Ja, kom maar, roept ze. Ze wil ons helpen. Wij kunnen er nu ook door, maar we staan als aan de grond genageld, veilig achter het hek. Nee, dat doen we niet. Nee hoor... Geen haar op ons hoofd. Ja, sorry. We lopen terug door dat zonnige veld en zoeken een andere route, die gelukkig gauw gevonden is, een omweg, maar wat maakt dat uit, met dat heerlijke weer.

Nu ik dit allemaal opschrijf, moet ik denken aan dat liedje dat Shirley zong, toen we met onze vier Amerikaanse vrienden door een veld moesten in de Cotswolds, ergens tussen Winchcombe en Broadway, een veld vol jonge zwarte stieren. Ik zie dat veld nog voor me, een veldje maar eigenlijk, en hoe we daar met z'n zessen doorheen durfden. Omdat Shirley dat liedje zong:

    Bossy cow-cow,
    Bonnie bee-bee,
    Oleo-margarine,
    Oleo-butterine,
    Alfalfa-Hay!!!

    (meerdere keren herhalen)

Het is een beetje een nonsensliedje. Don, die ons gefotografeerd heeft op de Broadway Tower, een foto die achter op onze trouwkaart terecht is gekomen, vertelde dat hij en Lenore het zongen toen ze jong waren en nog studeerden, bij sportevenementen op de universiteit van California.* De stieren gingen er in ieder geval wel door op de loop. Maar of die logge groep hier bij dat hek op The Undercliff erdoor in beweging gekomen was, ik weet het niet.

* Het is het clublied van de UC Davis, de campus van de University of California. Het werd voor het eerst gezongen in 1926 bij een (American) football-wedstrijd tegen de College of the Pacific. Het lied is een aangepaste versie van een lied dat gezongen werd door de UC Berkeley, weer een andere campus van de University of California.

donderdag 21 mei 2026

The Undercliff – South West Coast Path (81)

Voorbij Beer, waar we aan de laatste honderdvijftig tot tweehonderd kilometer van het South West Coast Path begonnen zijn, komen we als we Seaton gepasseerd zijn al gauw op The Undercliff terecht. Hier is bijna twee eeuwen geleden een stuk klif de zee in gezakt, na hevige regenval op eerste kerstdag 1839. De regen drong in een strook zachte krijtrotsbodem die verzadigd raakte van het water en zo het stuk grond ervoor, gelegen op een gladde kleilaag, naar zee duwde. Het losgeraakte stuk grond kreeg de naam Goat Island.

De aardverschuiving trok veel bekijks. Tijdens een festival ter ere van de gebeurtenis werd een achtergebleven tarweveld op het eiland alsnog ceremonieel geoogst, koningin Victoria kwam langs op haar jacht en op een passerende raderboot met toeristen die de aardverschuiving vanaf zee bekeken werd een voor de gelegenheid gecomponeerd muziekstuk ten gehore gebracht, de Landslip Quadrille. In gedachten zie je die boot langsvaren, met dat orkestje erop. Engeland in optima forma!


Wij zijn vooral verrast door de overweldigende natuur die hier ontstaan is. Als je de kloof naar Goat Island oversteekt, of eigenlijk doorsteekt, merk je dat het pad omlaag gaat, kronkelend via allerlei trappen. Het is een heerlijk maar ook uitdagend parcours. Je moet goed kijken waar je je voeten zet en je stok en niet struikelen over de trapranden. In het filmpje dat we ervan hebben kunnen we het nog eens meemaken. Het lijkt het oerwoud van de Amazone wel, met al dat groen en al die soorten van lianen en al dat licht met overal van die doorkijkjes waar weer ander licht doorheen schijnt. Betoverend. Dit gaat zo 5 mijl door (7,6 kilometer), tot je bij Lyme Regis bent.

Het filmpje waarin we The Undercliff betreden.

Van de aardverschuiving werden vlak daarna tekeningen gemaakt.

De kloof en Goat Island, gezien vanuit het westen, getekend enkele dagen na de aardverschuiving
door Mary Buckland in december 1839 (plaat V in Conybeare et al., 1840).*

De aardverschuiving, gezien vanuit het oosten.

En dit is geologische schets van een doorsnede door het centrale deel van de aardverschuiving. 


Een kijkje achterom vanaf The Undercliff omhoog naar de krijtrotsen van het vasteland.

* W.D. Conybeare, W. Dawson, M. Buckland & W. Buckland, Ten Plates, comprising a plan, sections, and views, representing the changes produced on the Coast of East Devon, between Axmouth and Lyme Regis, by the Subsidence of the Land and Elevation of the bottom of the Sea, on the 26th December, 1839, and 3rd February, 1840. Londen: Oblong, 1840.

donderdag 14 mei 2026

Stanway House – de Cotswolds (10)

In de nieuwe roman van Herman Koch, De overbodigen, kom ik het tegen: Stanway House, (op bladzijde 55), een paar kilometer buiten Stanton. De romanpersonages staan er voor een gesloten hek. Ze lopen de Cotswolds Way. Toch maar eens kijken tussen de foto's die we daar in 2019 genomen hebben of dat dat landhuis is waar wij ook voor een dichte deur hebben gestaan. En over de muur nog wat foto's hebben genomen, als door een periscoop.

... als door een periscoop.

Ik vergelijk de foto's met plaatjes op internet. Of eigenlijk zoek ik het eerst op op internet, dat huis waarover in het boek gesproken wordt. Waar ik wel blij van wordt, want de plekken zijn dus niet verzonnen, de personages zijn dat natuurlijk wel, anders is het geen roman meer. Wat ik op internet zie blijkt inderdaad hetzelfde te zijn als wat wij op de foto's hebben en ik zie nu ook een bord naast een toegangspoort opzij waarop gewoon de naam staat: Stanway House. Met het voorplein bij de poort als een bijna Zuid-Franse plek.

... een bord naast een toegangspoort opzij waarop gewoon de naam staat: Stanway House.

Het huis, met zijn donkere, loodkleurige ramen, is omgeven door parkachtige tuinen en er is een vijver met een fontein die bij gelegenheid wordt aangezet door de landlord en ver de lucht in kan spuiten. Ik herinner me nog een een reportage, lang geleden, waarin hij in een groot vertrek – de salon? – een spel speelde dat op sjoelen lijkt, op meterslange tafel. Zonder opstaande randen. Geen sjoelbak dus. Aan het eind waren ook geen poortjes waarin de stenen verdwenen. Misschien dat het een mix was van sjoelen en petanque, dat je met je steen het dichtst bij een als eerste vooruitgeschoven kleinere steen (bij petanque zouden we zeggen de but of de cochonnet) moest proberen te schuiven, of met je steen gewoon het verst over de tafel moest zien te komen zonder aan het eind ervan over de rand te glijden. De reportage is gelukkig snel gevonden, maar het is niet die van toen, want de landlord van toen was een beetje mal, herinner ik me, maar hij heeft wel een opvolger, en aan het eind kijken we uit over het park en wordt – natuurlijk – wel weer de fontein aangezet, wat mooie regenboogkleuren oplevert.

Met het voorplein bij de poort als een bijna Zuid-Franse plek.

Dat doen ze in juni, lees ik op het bord naast de poort. Wij zijn er in september. Op de dag dat we erlangs lopen, eindigen we in Broadway. De dag daarop vraag ik mijn vrouw ten huwelijk op de Broadway Tower.

De reportage, met verteller en presentator Robin Shuckburgh.

zondag 3 mei 2026

Oefenen voor Engeland: het Nederrijnsepad XL

Alles dezer dagen staat in het teken van de Grote Wandeling: het inlopen van de schoenen, het kiezen van de juiste sokken, dikke of dunne – de dunne lijken het te gaan winnen van de dikke; de dikke bewaren we dan maar voor de koude winteravonden die er ook weer aankomen –, en dan nog het lopen zelf. Wilma had een mooi pad gevonden, het Nederrijnsepad, dat met z'n 27 kilometer kan wedijveren met wat we in Engeland gaan tegenkomen, compleet met klaphekken en overstapjes en in alle vlakheid ook nog wat klimmetjes en afdalinkjes en af en toe een boomstronk of steen waarover je kan struikelen, alles in het klein natuurlijk vergeleken met de enorme Britse werkelijkheid, maar toch. Met een paar stukjes verkeerd lopen, wat je altijd wel hebt, kwamen we uiteindelijk op 27,55 kilometer. Valt nog mee.

Een schilderijtje. In de verte de papierfabriek bij Renkum. Uit de schoorstenen komt stoom.

De route. Paars gekleurd. Wij liepen 'm met de klok mee,
links bovenin beginnend bij nummer 8 op de Wageningse Berg.

Kasteel Doorwerth.

Ergens van het pad af.


Het pontje bij Driel.

Een monstertocht. Nu ik het opzoek om het linkje in te plakken zie ik dat er XL achter staat. Nou, dat was het wel. Boven en onder langs de Nederrijn, met twee pontjes, bij Driel en Wageningen, en onderweg kasteel Doorwerth, met reusachtig lekker ijs. Net zo lekker als het ijs bij hotel Nol in 't Bosch, waar we logeren, hetzelfde hotel waar prinses Beatrix in haar jonge jaren nog had meegedaan aan paardrijwedstrijden, laat een collage van foto's in de hal zien. In de tijd van de pandemie verbleven we hier ook al eens, waarbij we het diner op onze kamer kregen opgediend. Nu eten we er in de serre van het hotel. Een hotel waar je je bij binnenkomst onmiddellijk thuisvoelt.


Prinses Beatrix te gast bij Nol in 't Bosch op 8 maart 1952.

De bovenkant van het Nederrijnsepad was wel wat spannender dan de onderkant. Boven kom je langs het kasteel maar ver daarvoor ook nog langs de oude papierfabriek van Van Gelder, nu in handen van het Ierse Smurfit Westrock Parenco. Aan de onderkant van de rivier zijn het de dijken en lange stukken langs de uiterwaarden waar je over en doorheen loopt. Dat was wel afzien op het eind. Dan gaan je voetzolen branden, vooral onder de bal van je voet, ook al loop je over goed geventileerde paden.

...ook al loop je over goed geventileerde paden.

woensdag 29 april 2026

West Bay (2) – South West Coast Path (80)


In de haven liggen nog een paar vissersboten. Ze zijn er een aan het lossen. De kratten worden uit het ruim getakeld en op de kade getrokken. Als rest van een eeuwenlange bedrijvigheid. Het te aanschouwen voelt als een déjà vu van vakanties lang, heel lang geleden, aan de Bretonse kust. Toen die bedrijvigheid groter was. En hotelkamers daar nog 70, hooguit 80 franc* kostten, voor twee personen, inclusief ontbijt.

Na de haven kom je in het diepe mulle zand en stuit je op dat klif waar je niet overheen mag.

* We hebben het hier over begin jaren 80. Een Franse franc was destijds 33 cent in guldens, zo'n 15 cent in euro's. Dus reken maar uit.

zondag 19 april 2026

West Bay (1) – South West Coast Path (79)

West Bay. Als je thuis zit, in die overvolle Randstad, en je opent de kaart op het scherm, denk je dat dit een verlaten dorp is. Veel hotels zijn er niet. Een of twee. Misschien nog een enkele B&B, maar dan heb je het wel gehad. Maar ben je ter plekke en kom je de heuvel af, het klif, dan snap je hoe het werkelijk zit, weet je niet wat je ziet: een gigantisch caravanpark dat zich door het dorp slingert en zich uitstrekt tot ver in het achterland. Ook dit is Engeland. Honderden, duizenden stacaravans, van die grote, vaak met zo'n erker aan de voorkant, in lange, gebogen rijen, dat laatste om het nog een beetje levendig te maken. Een caravanpark dat helemaal het dorp in loopt, of er ergens voorlangs. Hoe het precies in elkaar zit kom je niet achter. Niet een-twee-drie in ieder geval. Voor het centrum van West Bay, het oude dorpsplein zogezegd, moet je nog wel even zoeken. Er is een brug, en als je die over gaat, kom je er. Rechts van de brug is de haven, bij de zee. Maar links is ook nog een watertje, een stille plas, met zwanen en eenden en waarop je kan peddelen, met aan de rand ervan, aan de overkant, optrekjes van hout met verandaatjes. Als je er krokodillen bij voorstelt, kun je er met gemak de Everglades van maken. Een bluesy landschap.

Bij een clubhuis aan de rand van het meertje oefent een groep kinderen met kano's en daarachter loopt dat enorme caravanpark weer door, het binnenland in, waar je voor een lagere prijs mag zitten zonder uitzicht op zee. Misschien dat er wachtlijsten zijn, voor die plekken vooraan.

Van zo'n caravanpark maak je natuurlijk geen foto's als je dichtbij ben, maar
op deze overzichtsfoto van het landschap is het per ongeluk wel te zien, in de verte.
Als je de foto aanklikt voor een vergroting, zie je hoe ver het het binnenland in slingert.

Maar helemaal vooraan kom je niet. En dat is het mooie aan West Bay. Buiten dat er hele lelijke appartementencomplexen staan daar vooraan bij de zee, is er voordat dat caravanpark begint, nog een groepje vakantiewoningen uit de jaren vijftig of zestig, met zo'n keurig gazonnetje ervoor. Nog helemaal in de staat van hoe ze ooit gebouwd zijn. Daar kunnen ze in veel badplaatsen nog een voorbeeld aan nemen.

Links vooraan het groepje vakantiewoningen uit de jaren vijftig of zestig,
met het gazon ervoor, maar dat ligt verstopt achter de duin.

zaterdag 4 april 2026

Hier mochten we niet langs – South West Coast Path (78)

Hier moesten we best wel omlopen, om die huizen hier vooraan, met die gezellige achtererven en aanbouwsels en trappetjes, een foto waard in ieder geval, dan een flinke heuvel over, langs een golfveld, dat leverde nog een balletje op, en dan nog over een vakantiepark met van die lelijke huisjes waar iedereen op mekaar zit.


...en we aan de monding bij zee gewoon doorheen hadden kunnen lopen...

...en daarvoor, zagen we nu we omkeken, gewoon langs die kliffen over strand gekund hadden...

Tot we bij een beekje kwamen waar we een bruggetje over gingen en we aan de monding bij zee gewoon doorheen hadden kunnen lopen, en daarvoor, zagen we nu we omkeken, gewoon langs die kliffen over strand gekund hadden.



Het zou toch wel toevallig zijn als ze op 4 juli 2025 om 9.48 uur Engelse tijd naar beneden zouden komen. Toch is het dat jaar nog gebeurd, in West Bay, dat de boel instortte en de mensen die er liepen nog op tijd weg konden komen. Dat was op de een-na-laatste dag van dat jaar ergens op de middag. Maar in het licht van de miljoenen jaren dat die kliffen al standhouden schelen die 5 maanden en 26 dagen tussen de instorting en dat wij er liepen natuurlijk maar een donshaartje.

In het filmpje helemaal onder aan dit bericht zie je het gebeuren.

Hier zie je het gebeuren.

vrijdag 27 maart 2026

Hotel Noordzee wordt gesloopt. Nee toch?

Als je als kind een hotel aan zee moest tekenen, tekende je dit hotel. Met een vooruitstekende gevel met panoramarestaurant en daarboven hoog in de lucht op de twee hoeken twee lange stokken met rood-wit-blauwe vlaggen. Vlaggen die altijd het land in waaiden. Want de wind die kwam uit zee. Je wist het precies in je kinderverbeelding. Zoals je een boom of een huis tekende, of een auto, zo tekende je ook een hotel aan zee.

De zijkanten van dat hotel had je dan nog niet ontdekt, met letters over de hele gevel, een hoge H met lange stokken, die eigenlijk ook weer het hotel verbeeldden, met de rechterstok, net als de gevel, iets schuin naar voren – een soort van droste-effect maar dan anders – en de dwarsstok van de H die doorliep, als een dak boven het woord NOORDZEE, want daar lag het hotel nu immers aan, waarbij je opnieuw aan het vooruitstekende panoramarestaurant moest denken.

Als je er uit eten ging met een feestelijk gezelschap, probeerde je daar ook altijd te zitten, vooraan bij het raam, met dat iconische uitzicht. En het gekke was, het lukte ook altijd, als je belde om te reserveren. Toch zaten er als je dan op de afgesproken tijd binnenkwam, ook altijd mensen meer de zaal in. Hoe deden ze dat?

Het restaurant werd aan de onderkant met pilaren gestut,* maar eigenlijk zag je die niet, ze vielen niet op als je eronderdoor liep. Het was net of die hele bak, dat hele balkon van een restaurant, hoe moet je het noemen, in de lucht zweefde. Wat naar achteren en daarbovenop had je dan die naar voren hellende gevel met hotelkamers, drie etages maar liefst de hoogte in, met bij allemaal een balkon. Die had je ook over de lange hoge gevel die de Voorstraat in liep, maar daar waren ze een stuk kleiner. Kleine, repeterende, zichzelf herhalende, balkonnetjes. Nadat je die muur met letters had gehad. Hoe verzin je het allemaal! Welke architect had hiervoor getekend! Een hotel dat eigenlijk omgekeerd, tegen de zee en de wind in gebouwd was, met z'n hele gevel en vlaggen en wat dies meer zij. En als die vlaggen bij oostenwind ook nog eris naar zee waaiden, was het helemaal de omgekeerde wereld.

Het hele hotel ademde hotel. En zoals je een huis aan zee Huize Zeezicht noemde, zo noemde je een hotel aan de Noordzee natuurlijk Hotel Noordzee. Mislopen kon je het niet, onmogelijk, door die vooruitstekende gevel en die letters hemelhoog. En vlaggen. Je hoefde maar te wijzen als een argeloze toerist je de weg vroeg.

Vissers die langs de kust voeren herkenden hun dorp heel gemakkelijk aan de glooiende daklijn van de huizen van na de oorlog, met daartussen als opvallende uitschieters de vuurtoren, de Oude Kerk en Hotel Noordzee. 

Veel Katwijkers hebben het nog zien bouwen. Dat begon met het graven van een groot gat in de grond – niemand had dat nog gezien in Katwijk in de tijd waarover we spreken. Daar kwamen de kelders, het souterrain, en toen dat klaar was, kwam daar telkens weer een laag bovenop en ging dat helemaal de lucht in, totdat het vijfhoog was. Dit was nog nooit vertoond.

Van de vele Katwijkers die het toen hebben zien bouwen zijn er nog enkele over die het straks zullen zien afgebroken worden. Een hotel uit de jaren vijftig, dat net als de Christelijke Opleidingsschool, allang wel de monumentenstatus had mogen hebben. Als ik het wel heb, is de hele boulevard van Katwijk ook een naoorlogs beschermd dorpsgezicht. Laten we dat toch maar even gezegd hebben, of in ieder geval genoteerd.

Hotel Noordzee wordt gesloopt. Je gelooft het niet als je het leest. En je hoopt maar dat het niet waar is wat er staat.

* In de tijd dat de ruimte onder het panoramarestaurant nog niet was opgevuld met bebouwing.